TECHNIEKOEFENINGEN



Met deze oefenstof kun je gericht werken aan de verbetering van je techniek. De oefeningen kun je bekijken op YouTube. Slechts een deel van de fimpjes is hieronder uitgeschreven (de hoofdstukken 1 en 2 overigens in zijn geheel).
Link naar filmpjes:
http://nl.youtube.com/view_play_list?p=66752BB7BEB967DF 


Klik op foto voor groot formaat
1.BALGEVOEL


1.01 DRIBBELEN
Oefen in rustige looppas met de bal aan de voet.
Raak de bal bij elke pas afwisselend met de binnenkant en de buitenkant van de voet.
Neem de bal met korte tikjes 10-15 meter mee met het sterke been.
Keer vervolgens om en neem de bal op dezelfde wijze mee terug met het zwakke been.
Loop ontspannen op de voorvoeten.
Ter variatie:
Neem na vier balcontacten met het ene been de bal in één beweging over met het andere been.

 
1.02 VOORUIT EN ACHTERUIT ROLLEN
Neem de bal in wandeltempo elke pas een stukje mee met de onderkant van de voorvoet.
Rol bij elke pas de bal om en om met het sterke en zwakke been de bal een stukje verder.
Loop 10-15 meter vooruit en vervolgens dezelfde afstand achteruit.
Ter variatie:
Voer de oefening in looppas uit.
Houd het bovenlichaam goed in balans, hel niet achterover.
Blijf goed op de voorvoeten bewegen.


1.03 TERUGHALEN EN VOORUITDUWEN
Haal de bal na een korte dribbel (2-4 tikken) terug met de voetzool.
Maak de voet vervolgens snel breed en duw de bal recht vooruit.
Herhaal dit met het sterke been totdat je 10-15 meter hebt afgelegd.
Keer vervolgens om en doe hetzelfde met het zwakke been: korte dribbel, bal terughalen en vooruitduwen.
Beweeg het standbeen bij het terughalen iets naar achteren.
Beweeg verder goed op de voorvoeten.
Ter variatie:
Neem steeds na het vooruitduwen de bal over met het andere been.


1.04 ZIJWAARTS LOPEND DE BAL MET DE VOETZOOL MEENEMEN
"DE FEMKE"
Neem de bal zijwaarts lopend met de voetzool mee.
Heen 10-15 meter met het sterke been en terug, met het gezicht dezelfde kant op, met het zwakke been.
Loop goed zijwaarts en raak de bal draaiend vanuit de heupen elke pas.
Loop op de voorvoeten en beweeg de knieën omhoog.
Laat de bal zoveel mogelijk in een rechte lijn rollen.

1.05 MET VOETZOOL SCHUIN VOORLANGS SPELEN
Speel de bal met de punt van de voetzool schuin voorlangs, afwisselend met het sterke en zwakke been.
Maak na het voorlangs spelen steeds een paar tussenpasjes.
Strek je voet goed en speel de bal netjes (met de juiste snelheid) voorlangs.
De bal moet niet stil komen te liggen.


1.06 VOET OP DE BAL EN MET ANDERE VOET TIKKEN
Plaats de onderkant van de voet op de bal.
Geef de bal tegelijkertijd met de andere voet een klein tikje.
Beide benen maken gelijktijdig een actie.
Eerst rechts op de bal en links een tikje.
Meteen links op de bal en rechts een tikje.
Houd de bal kortbij, om 'm direct weer stil te kunnen leggen.

1.07 VOET OP DE BAL EN MET ANDERE VOET ACHTERLANGS TIKKEN
Plaats de onderkant van de voet op de bal.
Draai het lichaam een kwartslag en geef de bal met binnenkant voet een tikje.

Deze oefening kan als passeerbeweging worden gebruikt.


1.08 MET VOETZOLEN DE BAL AANRAKEN
"DANSEN OP DE BAL"
Raak de bal snel en afwisselend met beide benen met de onderkant van de voeten.
De bal blijft op de plaats.
Houd het bovenlichaam zoveel mogelijk boven de bal.
Hel niet achterover.


1.09 VAN TEEN TOT HAK AFROLLEN
"CHA CHA CHA"
Rol de bal met de voetzool van hak tot teen af en terug;
met rechts schuin voorlangs naar links en met links schuin voorlangs naar rechts.
Houd bij het afrollen goed contact met de bal.
Draai het lichaam licht bij het wisselen van been.
Beweeg het standbeen met de voorvoet mee.

Om het lichaam en het standbeen te verplaatsen zijn korte, snelle tussenpasjes nodig. Voor een goed gevoel bij de oefening kun je het ritme van de Cha-Cha-Cha gebruiken: 1,2, cha-cha-cha, hak, teen, pas-pas-pas... 

1.10 ZIJWAARTS AFROLLEN
Rol de bal met de binnenkant van de voet zijwaarts voorlangs af.
Rol terug zonder de voet op de grond te zetten.
Houd goed contact met de bal.
Voer de oefening stilstaand uit.
Ter variatie:
Neem na 4-5 keer afrollen de bal met het andere been over.
Laat het standbeen meehuppelen.


1.11 MET BINNENKANT VOET SCHUIN VOORUIT AFROLLEN
Rol de bal stilstaand met binnenkant voet of voetzool vooruit af, heen en terug.
Laat de voet op de grond komen.
Wissel voortdurend het sterke en zwakke been af.

Een schijnbeweging: het lijkt alsof de bal wordt gepasst, maar de bal wordt aan de voet gehouden.

Klik op foto voor groot formaat
2.BASISBEWEGINGEN

2.01 VOORLANGS SPELEN MET BINNENKANT VOET
Speel de bal netjes schuin vóórlangs met binnenkant voet.
Verleng de richting van de bal twee tikken met de buitenkant van de andere voet.
Geef de bal geen nieuwe richting mee.
Speel de bal na de tweede tik weer voorlangs.
 
2.02 KAPPEN MET BINNENKANT VOET
Neem de bal twee tikken mee: één met de binnenkant, één tik met de buitenkant.
Kap de bal vervolgens terug met binnenkant voet op de binnenkant van de andere voet.
De bal moet met de binnenkant wreef worden teruggekapt.
Kom niet stil te staan; neem de gekapte bal direct met de binnenkant van de andere voet mee.
Je legt deze oefeningen zigzaggend af.
 

2.03 KAPPEN MET BINNEN- EN BUITENKANT VOET
Kap de bal met binnenkant voet en neem de bal met de buitenkant van dezelfde voet mee.
Kap vervolgens met de buitenkant en neem de bal met de binnenkant mee.
Oefen eerst alleen met het sterkte been, pas daarna met het zwakke.
Ookbij deze oefening moet de bal terug worden gekapt.
Met de buitenkant door het lichaam goed te strekken, waarbij het standbeen duidelijk vóór de bal staat.


2.04 VOORLANGS SPELEN MET PUNT VAN DE VOET
Speel de bal vóórlangs met de punt van de voetzool.
Verleng de bal met twee tikken met de buitenkant van de andere voet.
Haal de bal vervolgens met deze voet weer vóórlangs terug.
Raak de bal bij elke pas.


2.05 MET PUNT VAN DE VOET ONDER HET LICHAAM DRAAIEN
Draai de bal met de punt van de voet onder het lichaam.
Stap over de bal en neem de bal met de andere voet twee tikken vooruit mee: eerst met de binnenkant, dan met de buitenkant.
Draai vervolgens met het andere been onder het lichaam.
Stap niet echt op de bal, maar leg 'm in één vloeiende beweging stil en stap door.
Weer een oefening in zigzagvorm, waarbij je bal elke pas raakt.


2.06 OVERSTAP
Maak met de binnenkant van de dribbelvoet een overstap om de bal.
Neem de bal direct met de binnenkant van de andere voet vóórlangs mee.
Maak na twee rustige tikken, de tweede met buitenkant voet, een overstap met dat been.
Voer de overstap kort en fel uit.
Kom na de overstap op de voorvoet om goed te kunnen draaien.

2.07 TERUGHALEN EN SCHUIN VOORUIT SPELEN
Haal de bal met de voetzool terug en duw 'm met de buitenkant van dezelfde voet schuin vooruit.
Ter variatie kan de duw naar buiten worden vervangen door twee tikken (binnenkant, buitenkant).


2.08 TERUGHALEN EN MET HET ANDERE BEEN MEENEMEN
Haal de bal terug met de voorkant van de voorvoet, stop 'm met de binnenkant van dezelfde voet en neem de bal met het andere been schuin vooruit mee.

2.09 TERUGHALEN EN ZIJWAARTS MEENEMEN
Haal de bal met de voetzool terug.
Duw de bal daarna met de buitenkant van de voet zijwaarts.
Dribbel de bal vervolgens twee tikken (binnenkant, buitenkant) recht vooruit.
En haal de bal weer met de voetzool terug.


2.10 TERUGHALEN EN ACHTERLANGS SPELEN
Haal de bal met de voetzool terug.
Speel de bal daarna dwars achter het standbeen langs.
Neem de bal met de binnenkant van het andere been direct recht vooruit mee.
Haal de bal na twee tikken met dat been terug.

Zodra de bal achterlangs gaat is het andere been onderweg om de bal direct recht vooruit mee te nemen.
Het is belangrijk dat het standbeen meebeweegt.


2.11 VOORLANGS DE BAL STAPPEN
Stap vóórlangs de bal en neem deze met de buitenkant van het andere been zijwaarts mee.
Stop de bal direct met de voetzool en stap met dat been voorlangs.
Leg steeds na het zijwaarts spelen de bal stil, zet de voet neer en zet een nieuwe actie in.

2.12 SCHAARBEWEGING MET STILLIGGENDE BAL
Stap met de voet om de stilliggende bal (een korte snelle actie).
Neem met de buitenkant van het andere been de bal goed zijwaarts één tik mee.
Stop vervolgens de bal direct met de voetzool van dat been en zet met dát been de schaar in.

Klik op foto voor groot formaat
3.SNEL VOETENWERK

3.01 TUSSENTIKKEN BINNENKANT VOETEN
Geef op de plaats snelle tussentikken met de binnenkanten van beide voeten.
Let op je houding:
sta goed op de vóórvoeten,
buig door de knieën, beweeg de knieën recht omhoog en
houd de rug recht. 
 
Klik op foto voor groot formaat
4.HALVE DRAAIEN

4.01 KAPPEN MET BINNENKANT VOET
Kap de bal met de binnenkant voet en neem de bal in een halve draai mee met de binnenkant voet van hetzelfde been.
Kap de bal recht terug (niet stilleggen of schuin terugspelen).
Heb na de halve draai direct weer balcontact.

4.02 KAPPEN MET BUITENKANT VOET
Kap de bal met de buitenkant voet en neem de bal in een halve draai mee met de buitenkant voet van hetzelfde been.
Houd het standbeen duidelijk achter de bal.
Kap de bal recht terug (niet stilleggen of schuin terugspelen).
Heb na de halve draai direct weer balcontact.
Oefen met beide benen.

Klik op foto voor groot formaat
5.SCHIJN- EN PASSEERBEWEGINGEN

5.01 SCHAARBEWEGING
De schaar als passeerbeweging:
Ga met de voet van binnen naar buiten om de bal en neem de bal met de buitenkant van het andere been zijwaarts mee.
Zet na twee tikken met de bal de schaar met dát been in.
Hou de bal kort aan de voet en raak de bal bij elke pas.

De dubbele schaar:
Zet de beweging ook direct met het andere been in.
Maak snelle bewegingen om de bal.
Zet om en om de schaar in met het sterke en het zwakke been.

5.04 ZIDANE-BEWEGING ALS PASSEERACTIE
Stop of haal de bal vlak vòòr de tegenstander terug met de voetzool.
Stap over de bal en neem 'm direct met de voetzool van het andere been over.
Draai met de buitenkant voet van dat been weg.
Het lichaam moet tussen de bal en de tegenstander komen.
Zet zowel met links als met rechts in.

5.06 LOCOMOTIEF-BEWEGING
Maak boven een stilliggende bal de locomotiefbeweging door te doen alsof je de bal terughaalt met onderkant voet.
Neem echter de bal met de wreef recht vooruit mee.
Meteen leg je de bal stil en loop je twee passen door.
Keer dan om en maak de beweging met het andere been.

Doe vervolgens de oefening met een rollende bal.
Neem de bal eerst één tik mee en voer de beweging vervolgens boven de rollende bal uit.


6.BALAANNAME EN TRAPTECHNIEK

6.04 DE BAL AFSCHERMEND AANNEMEN
Neem de bal na een vooractie aan met de voetzool.
Hou de bal ver van de tegenstander onder de voetzool vast en geef de inkomende medespeler op het juiste moment de bal mee.
Aannemen, afschermen, wachten en de bal meegeven.


7.SOUPLESSE

7.01 KAPPEN MET BUITENKANT VOET
(Een soepel uit te voeren basisbeweging)
Kap de bal met buitenkant voet en neemt de bal direct met buitenkant voet mee.
Kap met een felle beweging en hou het standbeen steeds ver vóór de bal.

Klik op foto voor groot formaat
8.AFDRAAIEN EN WEGDRAAIEN

8.01 BINNENKANT VOET AFDRAAIEN
Draai de bal met de binnenkant van de voet af door met twee kapbewegingen een driekwart-draai te maken.
Wissel na de draai van been en zet daarmee de beweging in

9.COMBINATIES

9.03 SCHAARBEWEGING NA VOORACTIE
Zet de linkervoet op de bal.
Speel met de binnenkant van het rechterbeen de bal achterlangs.
Maak meteen een schaarbeweging met het linkerbeen.
Neem de bal met het rechterbeen zijwaarts mee.